‘… voorheen drankmisbruik en armoede, naderhand conservatisme en orthodoxie …’

0173André Troost van het Gemeentearchief Kampen heeft in het cultuurhistorisch jaarboek Kamper Almanak 2013 uitvoerig aandacht besteed aan de uitkomsten van het bevolkingsonderzoek dat mr. Samuel Richard Perrin in 1940 verrichtte in opdracht van de gemeente Kampen.[1] Het rapport ‘Bevolkingsopbouw der gemeente Kampen’ van de in 1910 in Kampen geboren Perrin, die in zijn geboortestad als advocaat en procureur werkzaam was, belandde uiteindelijk in een gemeentelijke bureaula.[2] Wellicht dat de Duitse bezetting – het rapport werd op 13 september 1940 aangeboden aan de Kamper gemeenteraad – een belangrijke oorzaak was om niets met de bevindingen te doen, maar dat is zeker niet de enige reden. De inhoud van het rapport viel duidelijk niet in goede aarde bij de representanten van het orthodox-protestantse volksdeel. En die hadden het sinds 1918 in de stad voor het zeggen.

Bekijken we de paragraaf ‘Godsdienstig aspect’ in Perrins rapport nader dan kunnen we ons bij de bezwaren van de zware geloofsbroeders wel het een en ander voorstellen. De opsteller van het stuk wond er namelijk geen doekjes om. Sommige passages in dit onderdeel van zijn studie zijn te mooi om de lezer te onthouden.

Perrin had alle Kamper predikanten schriftelijk verzocht een aantal vragen te beantwoorden. Slechts een deel van hen – drie hervormde, een doopsgezinde, een lutherse, alsmede de voorganger van de Israëlitische gemeente en een hervormde godsdienstonderwijzer – voldeed aan het verzoek, anderen (onder hen alle predikanten van de verschillende gereformeerde denominaties) antwoordden echter niet. Toch meende de opsteller enkele conclusies te kunnen trekken:

‘In de eerste plaats schijnt de godsdienstige belangstelling van de Kamper bevolking meer dan normaal te zijn, hetgeen niet zeggen wil zooals een briefschrijver mij opmerkte, dat de belangstelling voor godsdienstige vraagstukken, te weten, onderzoek en studie daarvan, normaal is te noemen.

In de tweede plaats wil het mij voorkomen, dat er te Kampen naar het gevoelen van de meerderheid wel een te strenge scheiding bestaat tusschen de godsdienstige groepeeringen. “Kampen vertoont in dit opzicht het beeld van alle steil-orthodoxe gemeenten in ons land”, aldus een der predikanten.

Het schijnt dus dat de puriteins-protestantsche richtingen te Kampen toonaangevend zijn, zooals de laatste volkstelling ook bevestigd heeft. Dit is te merkwaardiger omdat nog niet zoolang geleden het liberalisme, dat men althans hedentendage niet van godsdienstige overgevoeligheid kan verdenken, te Kampen grooten invloed had. Heeft er, zo kan men zich afvragen een verschuiving plaats gevonden, en zoo ja wat is hiervan de oorzaak geweest.

Zooals ik reeds eerder opmerkte was Kampen omstreeks 1870 na een tijd van vooruitgang feitelijk reeds op een terugtocht ofschoon de bevolking door een geboorte-overschot nog toenemende was. Nieuwe ideeën en bewegingen drongen toen echter slechts met moeite nog tot de stad door. Het leven van de arbeider bood weinig uitzicht op materieele welvaart. Armzalig en geisoleerd van streken waar men de polsslag van het leven feller voelde kloppen, waar een zelfbewuste arbeidersbeweging wortel begon te schieten, bleek de door een liberale groep beter gesitueerden geregeerde Kamper arbeidersklasse in hooge mate ontvankelijk te zijn voor de leerstellingen van het dogmatische christendom.’

2015-04-22 16.38.14_22015-04-22 16.39.12_2_2

Vervolgens verwijst Perrin naar enige antwoorden die de hervormde predikant Van Anrooij en de gereformeerde theoloog en antirevolutionair Tweede Kamerlid Noordtzij eind februari 1892 gaven in het verhoor van de enquêtecommissie die onderzoek deed naar de werkomstandigheden[3], en zet hij zijn betoog voort:

‘Met andere woorden: voorheen drankmisbruik en armoede, naderhand conservatisme en orthodoxie, afkeer van nieuwigheden. Het ligt voor de hand, dat dit conservatisme en deze neiging tot meer puriteinsche levensopvattingen op godsdienstig gebied nog sterker tot uiting kwamen in de Kamper samenleving toen de arbeidersklasse ook politiek mondig werd en het liberalisme te Kampen snel aan invloed afnam. Op onderwijsgebied kan men dit ook constateeren.

(…)

De orthodox-protestantsche richtingen voeren te Kampen den boventoon en zelfs bestaat er de neiging de meest rechtzinnige groepen te versterken ten koste van het links daarvan staande deel der bevolking. Dit blijkt ook uit de sterke toename van het ledental der Gereformeerde kerk en de afname van dat der Ned. Hervormde gemeente, terwijl de kleine Vrijzinnige groepen constant blijven of in omvang verminderen. Onder deze omstandigheden komt de vraag op of het godsdienstig leven te Kampen niet te eenzijdig is georienteerd en of den buitenstaander niet een afstootende werking uitoefent, indien hij toevallig een andere richting is toegedaan, dan die welke te Kampen overheerscht. Vooral voor intellectueelen, maar ook voor anderen, die afkomstig zijn uit streken waar de godsdienstige belangstelling misschien minder, doch het geestelijk leven levendiger en meer afwisselend is, kan men dit een bezwaar zijn om zich te Kampen thuis te gevoelen. Kampen is te klein, dan dat het splitsing in twee of meer werelden kan verdragen zonder daarvan schade te ondervinden. Juist in zo’n kleine plaats is verdraagzaamheid en een open oog voor de belangen van andersdenkenden meer dan ooit geboden.(…)’.

In de kantlijn schreef een van de lezers van het rapport: ‘is verdraagzaamheid monopolie van “links”? de geschiedenis wijst daar niet op (…)’. Helaas is niet bekend van wie deze opmerking afkomstig is, wellicht was het een van de confessionele stadsbestuurders die bepaalden dat het rapport – waarvoor in totaal duizend gulden was betaald – niet verder zou worden besproken en vervolgens dus in de bekende bureaula belandde.

In de bijlage met vragen en antwoorden staat een antwoord dat ook het vermelden meer dan waard is. Op de vraag ‘Wat is Uw algemeene indruk van het geestelijk en zedelijk peil der Kamper bevolking in vergelijking met andere plaatsen’ antwoordde de hervormde godsdienstleraar:

2015-03-09 12.31.23_2‘Mijn algemeene indruk van het geestelijk en zedelijk peil der Kamper bevolking in vergelijking met andere plaatsen valt niet onverdeeld ten gunste van de Kampenaren uit. Het laatst werkte ik in Friesland, in een streek, waar nauwelijks van kerkelijk godsdienstig leven sprake was, maar de oprechtheid liep daar minder gevaar dan in Kampen. Het valt me op, juist in tegenstelling met de Friezen, hoe weinig men aan kan op het woord van een Kampenaar. Bestellingen, afspraken worden niet nagekomen zonder opgaaf van reden. Over sexueele moraal durf ik geen oordeel uitspreken, aangezien ik hiervoor over geen enkele gegeven beschik.’

Wordt ongetwijfeld vervolgd!

Dit bericht is geschreven door Jonn van Zuthem

[1] André Troost, ‘Het gedegen bevolkingsonderzoek 1940 door Samuel Richard Perrin” een man met visie’, Kamper Almanak 2013, 30-38. Ook digitaal te bekijken: http://www.walkatearchief.nl/almanak.html

[2] En ligt het nu ter inzage in het Gemeentearchief Kampen, ‘Handsschriften betreffende Kampen’, 115-1, S.R. Perrin, Bevolkingsopbouw der gemeente Kampen, hs. 1940, 1 deel.

[3] Zie ‘Een sociale enquête’, in: Jeroen Kummer (red.), Geschiedenis van Kampen, deel 2 “Zij zijn Kampers…” (Kampen 2001) 226-227.

Opa en de zaklantaarn

63858_1_510_210_2Oproep: Johan Ekkel en ik zijn nu al weer een tijdje bezig met dit weblog en we hebben van onze volgers al veel leuke reacties mogen ontvangen. Het meest gelezen bericht is dat over ‘De merklap van Woltertje van der Snee uit 1853’ in de rubriek bijzondere voorwerpen. We willen graag meer van dit soort verhalen plaatsen waarin een bepaald ‘voorwerp’ centraal staat. Dat kan van alles zijn: bijvoorbeeld een oude hoed of een boek, maar ook een mooi beschreven herinnering aan een bepaalde plaats in huis of in Kampen is van harte welkom.

Johan zal binnenkort een foto maken van opa’s PTT-zaklantaarn die in onderstaand verhaal centraal staat. (Dit bericht betreft een aangepaste versie van het verhaal dat eerder op het weblog jonnvanzuthem is geplaatst.)

2000067Op de foto hiernaast onze opa Johan van Zuthem, tevreden rokend op het plaatsje achter zijn huis aan de Valkstraat 4 te Kampen. Dit is de man naar wie wij zijn vernoemd. Johan was een zachtaardige man, geen ruziemaker en zeker ook geen drinker. Hij was plichts- en gezagsgetrouw, zoals het mannenbroeders van zijn generatie betaamde.

Onze opa ging in 1944 als postbode werken voor de toen door de Duitse bezetters ‘verzelfstandigde’ PTT. Tot die tijd had Johan, die op 9 november 1897 in Kampen was geboren, de kost verdiend als sigarenmaker. Hij was dus al (bijna) 47 jaar toen hij deze opmerkelijke carrièreswitch maakte.

Voor Johan, die decennialang in vaak slecht geventileerde ruimtes lange werkdagen had gemaakt, ging er een wereld open. Als postbode werkte hij voortaan meestentijds in de buitenlucht en zat hij dagelijks op de fiets. Zijn nieuwe professie was alleen al om de lichaamsbeweging aanzienlijk gezonder dan het zittend fabriceren van sigaren.

Kort na de bevrijding, de PTT was inmiddels weer officieel een staatsbedrijf geworden, kreeg hij een nieuwe zaklantaarn. Postbodes moesten immers ook in het donker de namen en adressen op brieven en poststukken kunnen lezen. Nu waren zaklantaarns, zoals nagenoeg alle (luxe)goederen, na de oorlog schaars. Johan had er bij vergissing niet één, maar twee gekregen en had daarover tegen zijn leidinggevenden niets gezegd. Trots liet hij thuis de zaklantaarn zien die hij voor privédoeleinden wilde gebruiken. ‘Schaam ie oe niet?’ (of woorden van die strekking) was naar verluidt de reactie van zijn vrouw ‘Rieke’. Ook al had onze oma niets gezegd, haar blik alleen al zal boekdelen hebben gesproken.

Het zat hem toch niet lekker. ’s Avonds, toen het donker was, is hij met de zaklantaarn richting het Kamper postkantoor gelopen. Daar aangekomen heeft hij deze over de muur van de binnenplaats gegooid. Enigszins opgelucht keerde hij vervolgens huiswaarts.

Update: dit is de zaklantaarn die opa jarenlang heeft gebruikt om in het (schemer)donker de adressen op brieven en poststukken te kunnen lezen. De lamp die hij over de muur van de binnenplaats heeft gegooid, zal de val waarschijnlijk niet helemaal hebben overleefd. De zaklantaarn is tegenwoordig in het bezit van Johan Ekkel. Hij heeft ook de foto’s gemaakt.

DSCN1878DSCN1879

klassenfoto Kamper Ambachtsschool ‘fijnbankwerker / elektricien’

IMG_20150123_0005Een paar weken geleden kreeg ik in het Gemeentearchief Kampen van Kees Schilder deze foto van leerlingen van de afdeling ‘fijnbankwerken/elektricien’ van de Kamper Ambachtsschool. Op de foto, die omstreeks 1950 moet zijn gemaakt, staat naast Kees (nr. 13) onder anderen ook mijn vader Dirk van Zuthem (nr. 10).

IMG_20150123_0005_2De jongens moeten omstreeks 1937 zijn geboren. De meeste namen kan Kees zich nog herinneren, behalve die van nummer 14 en die van het jongetje ernaast (uiterst rechts). Wie kan ons verder helpen?’

Hermina’s veroordeling in 1839

2015-01-21 18.00.04_2Onlangs vroeg mijn gewaardeerde vakgenote dr. Iet Erdtsieck, die in het Gemeentearchief Kampen de ‘Wekelijkse verslagen van de Commissaris van Politie’ bestudeerde, of deze Hermina van ‘Suthem’ misschien familie is. Nou en of! Onze oudmoeder Hermina werd begin 1839 veroordeeld tot twee dagen gevangenisstraf en moest nog een geldboete van 11 ‘fr’ (franken) betalen ook.* En dat voor het veroorzaken van ‘burengerucht’ en het maken van wat ‘bewegingen’.

Wat er precies is voorgevallen, dat moet ik nog verder uitzoeken. Waarschijnlijk betrof het een ruzie met het nodige verbaal geweld en met wat duw- en trekwerk. Van fysieke mishandeling zal geen sprake zijn geweest, want dan zou die term wel zijn gebruikt. Over Hanna van der Straaten weten we op het ogenblik alleen dat zij in november 1828 als ongehuwde moeder bij de Burgerlijke Stand van Kampen het overlijden van haar dochtertje Aaltjen meldde.

Vorige week kreeg ik een mail van Iet Erdtsieck dat zij nog een veroordeling van Hermina was tegengekomen. Aanstaande donderdag ga ik die bron bekijken.

DSC02833Update: Onze oudmoeder Hermina blijkt inderdaad eind 1837 al te zijn vervolgd voor een andere overtreding. In een brief van de Officier van Justitie (OvJ) te Zwolle d.d. 28 november 1837 schrijft deze aan de Kamper politiecommissaris: ‘die van Hermina van Suthem, als vallende in de termen van art. 471 No. 11 en 479 No. 1 van het Wetboek van Strafregt ten einde de zelve voor uwe policie regtbank te vervolgen…’. (GA Kampen, Nieuw Archief, Archieven van diensten en bedrijven, politie, correspondentie, 1, ‘Ingekomen stukken van de Officier van Justitie, 1812-1838’.)

Waar had Hermina zich volgens de OvJ nu schuldig aan gemaakt? Artikel 471, nummer 11 luidde toentertijd: ‘Diegenen, die zonder daartoe uitgetergd te zijn, scheldwoorden tegen iemand geuit zouden mogen hebben…’. En artikel 479, nummer 1: ‘Diegenen, die (…) opzettelijk aan eens anders roerende eigendommen schade toegebracht zullen hebben …’. (Mr. A.J. van Deinse, Het Wetboek van Strafregt (Code Penal) met de wijzigingen, daarin aangebragt sedert 1810… (Middelburg 1854) p. 120 en 123.) Met andere woorden: Hermina had iemand uitgescholden en zij had iets vernield dat waarschijnlijk aan hetzelfde ‘slachtoffer’ toebehoorde.

Andermaal: wordt vervolgd!

* In de periode tot de jaren 1840 was het muntstelsel in het Koninkrijk der Nederlanden nog niet geüniformeerd. 1 ‘franc’ stond gelijk aan 47,25 cent. (H. Enno van Gelder, De Nederlandse munten. Het complete overzicht tot en met de komst van de euro (Utrecht, achtste herziene en aangevulde druk 2002) p. 183.) Hermina’s geldboete bedroeg dus ongeveer 5 gulden.

Dit bericht is geschreven door Jonn van Zuthem

2014 herzien

De statistieken hulpaapjes van WordPress.com heeft een 2014 jaarlijks rapport voor deze blog voorbereid.

Hier is een fragment:

In een San Francisco kabelbaan passen 60 mensen. Deze blog werd in 2014 ongeveer 3.100 keer bekeken. Als je blog een kabelbaan zou zijn, zou die ongeveer 52 reizen nodig hebben voordat die zoveel mensen zou kunnen vervoeren.

Klik hier om het complete rapport te bekijken.

Het persoonsbewijs van Hendrik van Zuthem (1865-1944)

Op last van de Duitsers moesten vanaf april 1941 alle Nederlanders van 14 jaar en ouder een persoonsbewijs hebben. Het persoonsbewijs had op de voorkant een pasfoto met handtekening van de bezitter. De persoonsgegevens en een vingerafdruk stonden op de achterzijde. Hendrik, toen woonachtig aan de Driehuizerweg 9 in de gemeente Apeldoorn, moest uiteindelijk ook zo’n persoonsbewijs hebben. Onderstaand persoonsbewijs werd hem op 23 december 1941 verstrekt.

Hendrik1 Hendrik2

Deze bijdrage is geschreven door Johan Ekkel

Van Zuthem Vars

0075Van verschillende zijden hoorde ik dat er vlak na de Tweede Wereldoorlog een ludiek liedje in het Kamper dialect werd gezongen over een Van Zuthem die een boottochtje maakte. Hoe de tekst luidde kon men mij helaas niet vertellen. Dit weekeinde toch maar eens de trefwoorden ‘liedje’ en “Van Zuthem’ gegoogled en binnen mum van tijd kwam ik terecht bij een artikel van Gait Berk in de Kamper Almanak van 2004.

Gait Berk (1927-2006) was de zoon van directeur Jan Berk van de bekende Kamper pannenfabriek Berk Kampen (BK). In 1946 speelde hij in de band ‘School Swingers’ die toen geregeld het door hem geschreven lied ‘Van Zuthem Vars’  ten gehore bracht. Naar verluidt werd het ook veelvuldig gezongen op bijeenkomsten van Kamper watersporters.

‘Van Zuthem Vars

(tekst Gait Berk; melodie: De veldmuis vond in ’t beukenbos)

Van Zuthem vond an ’t Zalker gat

Een olde vissers skuut

IJ ad ook nog een olde klomp

Deur eusen ij em mee uut

IJ maken der wat touwgies an

En zeeg mien skip is kleur

Now vaar ik zomaar ’t zeegat uut

Zonder ‘t minst geveur!

 

Van Zuthem ‘ad een olde klok

IJ zeeg, de’s mien kompas

Toen voer ie zomaar neur Ork toe

Een wonder det ie der was!

Deur nam ie toen een liter Bols

En koers op Amsterdam…

Maar tot vandage is ’t onbekend } bis

Of van Zuthem der ooit wel kwam. } bis’ (1)

 

Wordt ongetwijfeld vervolgd.

(1) Gait Berk, ‘Liedjes in dialect’, Kamper Almanak 2004, 198-204, aldaar 201-202.

(Deze bijdrage is geschreven door Jonn van Zuthem)